1.

 

Het is een warmere lente dan ooit tevoren. Misschien lijkt  het enkel zo sinds ik het kille Rotterdam inruilde voor het gemoedelijke Nijmegen. Klimaatverandering speelt wellicht een zekere rol, hoe dan ook geniet ik van de zonnestralen die mijn neus dagelijks doen verbranden. De stad is groen en glanst onder een blauwgekleurde lucht. Mijn kapotte schoenen wanen zich door haar heen, kennen de oude wegen inmiddels zonder te na te denken. Daar sta ik dan. Afgestudeerd fotograaf, tweeëntwintig zomers jong, in de bloei van mijn leven en depressief in het zwarte gat zoals bijna elke andere millennial.

 

Het is een tijdperk waarin waarin we werken om weg te kunnen gaan. Op saaie kantoren met grijs getinte muren, muffe bureaustoelen en kleffe boterhammen met kipfilet om onze afgetrainde lichamen te voorzien van genoeg eiwitten. De weekenden zijn wild, roekeloos, een vluchtroute uit de dagelijkse sleur van het volwassen zijn. Zwart gekleed zijn we onderweg naar het zoveelste feestje. Je pupillen zijn weer zo groot als de maan, tandenknarsend omhels je me terug, aai je mijn haar en streel ik je rug. “Ga je lekker?” vraag je me voor de honderdste keer dit jaar. “Ja, echt chill.” antwoord ik met mijn strakke bek.

 

De volgende dag zit je onschuldig bij je ouders op de bank met een kop citroenthee en een droog koekje dat je nauwelijks weg krijgt door het gebrek aan speeksel. In onze generatie heeft het begrip “theekransje” inmiddels een andere definitie gekregen dan dat het vroeger had. In de millennial generatie vindt het zich plaats na een feest waar verdovende middelen zijn geconsumeerd. In een gezelschap dat vrijwel nauwelijks in staat is emotie te tonen of simpelweg te communiceren. De kamer vult zich met  sigarettenrook en iedereen staart de diepte in, opziend tegen het verlaten van de ruimte.

 

Ondertussen is de thee koud door gebrek aan tijdsbesef, terwijl de techno zachtjes door dreunt. Waarna ik strompelend mijn torenkamer in klim, zwetend en lichtelijk balend van de zoveelste plafond dienst.

 

Na drie uur pak ik mijn telefoon en vraag ik wie er een koffie gebruiken kan. Ik ben altijd de eerste die de ochtend tegemoet komt, of de nacht nooit verlaten heeft.

 

2.

 

In een klooster waar nu alles gebeurt wat er vroeger verboden was, wonen mijn vrienden, ik en honderd vreemden. Vriendschap is een dynamisch spel waarvan ik de regels niet altijd even goed begrijp, maar ik doe mijn best. Ze zeggen dat je aantrekt wat je uitstraalt, dus zou dat betekenen dat mijn vrienden misschien wel net zo verdwaald zijn in de wereld als ik. Al weten we dat zelf niet altijd.

Want met ons gaat het altijd goed, als je ernaar vraagt. Het gaat zelfs fenomenaal; we hebben een gerespecteerde starters functie en verdienen meer dan ooit. Soms, heel uitzonderlijk, vragen we aan elkaar; “Maar, hoe gaat het nou echt met je?”. Dan schieten onze ogen lichtelijk paniekerig en wellicht wat aarzelend door de ruimte. Want, we weten eigenlijk niet wanneer het nou echt goed met ons gaat, of dit het leven is wat ons gelukkig laat voelen. Dit is het moment van de waarheid; de beruchte onbeantwoorde vraagtekens. Ze schreeuwen er niet om, zeggen zelfs niets, maar creëren lichtelijke chaos in alles dat we denken te zijn.

 

Maar dat terzijde, om even terug te komen op het klooster. De eerste keer dat ik haar bezocht, vond ik het maar een sfeerloze bedoeling. Behalve het trappenhuis; die lijkt soms goud  te zijn in de ochtendzon. Je verdwaalt er de eerste paar weken, het is er een doolhof aan blauwe identieke gangen met grijze deuren. Achter mijn grijze deur bevindt zich een strand huis, een

torenkamer en soms een eiland. Ik ben allergisch voor IKEA en misschien een van de weinigen hier die materialisme en luxe omzeilt. Het enige waar ik sporadisch in investeer, zijn de achttien planten die een kleine jungle vormen in mijn kamer. Dit is een gewaardeerde millennial trend;  des te meer cactussen je bezit, des te meer waardering je interieur ontvangt.

 

Zoals ik al zei, deel ik dit pand met honderd vreemden; we zijn een soort van samen alleen zoals mensen dat vaak zijn in de stad. Werkelijk, we hebben geen idee wie onze buren zijn terwijl een gips wand het enige is wat ons van elkaar scheidt. Van sociale cohesie is geen sprake en het lijkt ons niet te boeien.  De schaarse communicatie reikt nauwelijks verder dan; “Het wc-papier is op.”, of de vraag die iedereen altijd negeert; “Heeft iemand een stofzuiger te leen?”. Vervolgens grijp je met tegenzin je stoffer en blik en waan je je als Assepoester over je vieze veertien vierkante meter vinyl vloer.

 

 

3.

 

Eens per maand bevind ik me in bus 33. Deze waant zich langs godvergeten dorpen waar ik me als tiener zo verveelde dat ik ze langzaamaan verafschuwde. Toen ik mijn HAVO diploma behaalde, wist ik dan ook niet hoe snel ik er wegwezen moest. Het ons-kent-ons fenomeen was een van de oorzaken van mijn dorps-allergie, de anonimiteit van de stad was een enorme

verademing. Evenals het scala aan winkels, normaal openbaar vervoer, de oneindige stroom aan soorten mensen, ideeën, innovaties, avonturen; de stad slaapt immers nooit. Het was alles waar ik op mijn achttiende

levensjaar intens naar verlangde.

 

Maar toch, stap ik eens per maand in bus 33. Zo’n bus waarin je altijd wel mensen tegenkomt die je kent van vroeger, maar niet goed genoeg om naast plaats te nemen. Meestal besluit je dan maar om te gaan voor een lichtelijk ongemakkelijke ‘Hey’ met een ongemeende glimlach. Het blijft het een fascinerend grijs gebied.

 

Eenmaal zittend drijf ik steeds verder weg van de bewoonde wereld. Ik tuur dan over eindeloos groene weilanden en heb altijd de neiging om even uit te stappen en stiekem een appel te plukken. Als je naar boven kijkt, is het er leeg. De lucht bekijken zonder dat het gebouwen bevat is schaars in de stad.

Ik stap uit en laat me begroeten door semi-vreemden die weten dat ik de dochter van mijn vader ben.

 

Dat zijn dingen waar ik eens per maand naar verlang. Dan wil ik thuis andijvie stamppot eten en ongegeneerd de spekjes eruit vissen. Stilletjes genieten als ik mijn broertjes hoor discussiëren over het laatste stukje vlees. Na het eten boodschappen doen in de voorraadkast, waar dure tandpasta de

hoofdprijs is. Dat mijn moeder dan zegt dat alles goed komt, waarna ze stiekem een baby katten kalender in mijn tas stopt.

 

Het gras is altijd groener aan de overkant. Met een gerust hart stap ik dan weer bus 33 in, op weg naar de stad. Als trotse eigenaar van drie chocoladerepen, tandpasta en een katten kalender.